belgitude

vrouwelijk (de)/ˌbɛlɣiˈtydə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. levensstijl, geestelijke instelling of manier van doen die kenmerkend is voor Belgen
    In een verende Citroën DS reist hij langs de grenzen van het land, om keer op keer die wonderlijke mengeling te vinden die hij belgitude noemt: die naamloze rommeligheid, die stuurloosheid, die welbewuste losbandigheid, die vrijheid van taal, gedrag, dat plannentrekken van de inwoners.
  2. trotse of enthousiaste instelling van Belgen tegenover hun land
    De overmoed van België als sportnatie is mede het gevolg van een jarenlange tricolore drooglegging. Er was nog weinig om trots op te zijn. Ach, nationbuilding: hooguit wat dancemuziek. Het voetbal deed niet mee aan een verhevigde belgitude.

Etymologie

*kofferwoord gevormd uit "België" en "attitude"