beleven

/bəˈlevə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) meemaken, ondervinden, ervaren
    Hij heeft het avontuur samen met zijn beste vriend beleefd.
    Er viel in het museum veel te beleven.
    In onze tijd bestaat er een toenemende belangstelling, zowel voor de folklore als voor de achtergrond en de inhoud van de feesten. Temeer als die beleefd kunnen worden door het hele gezin en de hele groep, jong of oud.

Etymologie

*Afgeleid van leven

Vertalingen

Engelsexperience, live through
Duitserleben, durchmachen
Spaansvivir, experimentar