beleggen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (financieel) geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming [1] of in waardepapierenHij had al zijn spaargeld belegd in een teakkwekerij maar die was minder winstgevend als hij hoopte.
- (ov) (scheepvaart) een scheepstouw vastmaken, vastsjorren
- (ov) het toevoegen van (boter en) beleg aan een snee brood, zodat deze een boterham wordt (bedekken door er iets op te leggen)Nu we wat meer geld verdienen willen we onze boterham met wat meer beleggen dan alleen maar tevredenheid.Ik bestelde een lunch bestaande uit vier dikke pannenkoeken, rijkelijk belegd met boter en ahornsiroop.
- bijeenroepen, houdenOngeveer eens in de twee maanden wordt een vergadering belegd
zelfstandig naamwoord
- de actie van het beleg op een boterham doenHet beleggen van de boterhammen liet hij aan zijn moeder over.
Etymologie
*afgeleid van leggen
Vertalingen
Engelsinvest
Fransinvestir
Duitsanlegen
Spaanscolocar, invertir, imponer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek