beleggen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, financieel (ov), (financieel) geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming [1] of in waardepapieren
    Hij had al zijn spaargeld belegd in een teakkwekerij maar die was minder winstgevend als hij hoopte.
  2. ov, scheepvaart (ov) (scheepvaart) een scheepstouw vastmaken, vastsjorren
  3. ov (ov) het toevoegen van (boter en) beleg aan een snee brood, zodat deze een boterham wordt (bedekken door er iets op te leggen)
    Nu we wat meer geld verdienen willen we onze boterham met wat meer beleggen dan alleen maar tevredenheid.
    Ik bestelde een lunch bestaande uit vier dikke pannenkoeken, rijkelijk belegd met boter en ahornsiroop.
  4. bijeenroepen, houden
    Ongeveer eens in de twee maanden wordt een vergadering belegd
zelfstandig naamwoord
  1. de actie van het beleg op een boterham doen
    Het beleggen van de boterhammen liet hij aan zijn moeder over.

Etymologie

*afgeleid van leggen

Vertalingen

Engelsinvest
Fransinvestir
Duitsanlegen
Spaanscolocar, invertir, imponer