belasten

/bəˈlɑstə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) gewichten plaatsen op
    Jullie hebben de auto te veel belast.
    De derde tree van boven die kraakte, een bobbel in het tapijt van de overloop die een vreemd geluid maakte als je er met je volle gewicht op ging staan, het middenstuk van de trapleuning dat piepte als je het te veel belastte.
  2. ov (ov) als prestatie vergen
    De server werd een lange tijd te zwaar belast, waardoor hij uitviel.
    JezusWaren ze plotseling allemaal miljonair? Wat verder de behoefte aan cashflow betrof, vervolgde directeur Solveig de presentatie met onverstoorbaar zelfvertrouwen, werden natuurlijk alle huurinkomsten overgeheveld naar rentekosten en herstelwerkzaamheden om het bedrijf niet te belasten met onnodige belastinguitgaven.
  3. ov (ov) opdracht geven tot
    Belast die man toch niet met zoveel taken!
  4. ov (ov) iets bezwaren met een verplichting bijv. belasting heffen op
    Dit huis is met een hypotheek belast.
  5. refl (refl) zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen
    Hij belast zich met erg veel functies binnen dat bedrijf.

Etymologie

*Afgeleid van last

Vertalingen

Engelsload, take charge of
Franscharger, se charger de, prendre en charge
Duitsbelasten
Spaanscargar, cargarse