bekoren

/bəˈkorə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aantrekkingskracht uitoefenen
    De gele auto kon hem niet bekoren.

Etymologie

*afgeleid van het Middelnederlandse coren

Vertalingen

Engelscharm
Franscharmer, enchanter, séduire
Duitsbezaubern, entzücken, reizen
Spaansdeleitar, embelesar, encantar