bekleding

vrouwelijk (de)/bəˈkledɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een laag stof ter versiering en bescherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
    De bekleding van die stoel raakt los, die moeten we binnenkort laten repareren.
    In de voorkamer stond een antiekrode leren chesterfieldfauteuil zij aan zij met een Louis xv -zetel die was voorzien van een oudroze fluwelen bekleding met een rozenmotief, en een voetbankje in ongeveer dezelfde kleur naast een prachtige achttiende-eeuwse salontafel met elegant houtsnijwerk.
    Gelijktijdig sloeg ze met haar hand op de leren bekleding van de bank.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van bekleden .

Vertalingen

Engelscovering
Fransrevêtement
DuitsBekleidung, Polsterung
Spaansforro
Zweedsklädsel