bekleden

/bəˈkledə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met stof bedekken
    Ze willen graag de stoelen bekleden, omdat het beter staat.
  2. ov (ov) een ambt vervullen
    Hij bekleedde een belangrijke post.
    Mensen die tijdens het overlijden van onze kinderen cruciale posities bekleedden, werden vervangen.

Etymologie

*Afgeleid van kleden

Vertalingen

Engelscover, clothe, occupy
Fransrevêtir, occuper, remplir
Duitspolstern, bekleiden
Spaansforrar, revestir, camisar