bekken

onzijdig (het)/ˈbɛkə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrij ondiepe maar brede ronde schaal
  2. anatomie (anatomie) het gebeente tussen beide heupen
    Mensen hebben een nauw bekken en dat kan bij de geboorte van een kind een groot probleem zijn.
  3. muziekinstrument (muziekinstrument) een slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
    Bekkens worden los gebruikt maar ook per twee tegen elkaar geslagen.
  4. geologie, aardrijkskunde (geologie) (aardrijkskunde) glooiende laagte, bodeminzinking, stroomgebied
werkwoord
  1. op een enthousiaste manier zoenen
    Pieter stond in de hoek te bekken met die blondine.
  2. goed in de mond liggen
    Die titel bekt niet lekker en kan beter veranderd worden.

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘ring van de heupbeenderen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1702

Vertalingen

Engelspelvis, cymbal
DuitsBecken, Becken, Becken
Spaansfuente, pelvis, platillos
Deensbækken