beker

mannelijk (de)/ˈbekər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap, huishouden (gereedschap) (huishouden) een cilindervormig voorwerp waaruit gedronken kan worden, mok
    De jongen hield de beker met twee handen vast.
    Vul elkanders bekers, maar drink niet uit dezelfde beker.
    Hij deelde dan zijn befaamde root-beer-float Trail Magic uit: een wonderlijk Amerikaans gerecht dat bestond uit een bolletje vanille-ijs in een plastic bekertje met root-beer (een soort ginger ale).
  2. trofee
    De winnaars toonden de beker aan het publiek.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘drinkgereedschap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284

Vertalingen

DuitsBecher, Pokal, Pokal
Spaanscáliz, taza, copa