beheersen
/bəˈhersə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) meester zijn over, het gezag uitoefenen overHij weet zijn gevoelens heel goed te beheersen.Eén ding dat mijn stadse leven had beheerst was ik al helemaal kwijt: mijn gevoel voor tijd.De eindstrijd, de laatste stormloop. Hierin zou het lot van volkeren in een bikkelharde strijd worden beslist. Het ging erom wie de wereld zou beheersen.
- (refl) de baas zijn over zichzelf; meester zijn over de eigen gevoelens of impulsenZe wilde glimlachen om deze ontdekking, maar wist zichzelf te beheersen.
- (ov) volledig verstaanDe student beheerst de leerstof.
Etymologie
*Afgeleid van heersen
Vertalingen
Engelsdominate, control, master
Fransdominer, contrôler, maîtriser
Spaansdominar, controlar, dominar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek