begroting

vrouwelijk (de)/bəˈɣrotɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
    Het kabinet heeft de begroting bijna rond.

Etymologie

* van begroten .

Vertalingen

Engelsbudget
Fransbudget
DuitsBudget, Etat, Haushalt
Spaanspresupuesto
Poolsbudżet
Zweedsbudget