beginselvastheid

vrouwelijk (de)/bəɣɪnsəl'vɑsthɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand zich aan zijn principes houdt zonder compromissen
    Ze moesten een streep zetten door bepaalde tegenstellingen, zich wat hen aanging verontschuldigen voor overdreven beginselvastheid, het contact weer oppakken en ook in politiek opzicht opnieuw kameraden worden.

Etymologie

*afleiding van beginselvast