beginselloosheid
vrouwelijk (de)/bəɣɪnsə'loshɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het beginselloos zijnDe beginselloosheid van de opportunistische politicus was bij al zijn collega's bekend.
Etymologie
* afgeleid van beginselloos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek