beginnen

/bəˈɣɪnə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) voor het eerst gaan doen
    Ik wilde met het werk beginnen, maar moest eerst de juiste spullen halen.
  2. ov (ov) in gang zetten, initiëren
    Dit project werd begonnen in 2007.
    Het had geen zin om het uit te stellen. Als het gedaan is wanneer het is gedaan, is het beter als het zo snel mogelijk wordt aangevangen. De volgende ochtend zou ik beginnen.
    Oscar en hij hadden natuurlijk een ingenieursfirma kunnen beginnen in Bergen, ze zouden meer hebben kunnen verdienen dan de eerste levensbehoeften, zelfs iets hogerop zijn gekomen, al hadden ze het hoogstwaarschijnlijk niet tot de sociëteit van Bergen geschopt.
  3. intr (intr) een aanvang nemen
    Het begon te ijzelen.
    Wat Maria Coffey schreef, vond ik erg aangrijpend. ‘Hij ging dood terwijl hij deed waar hij zo van hield, zeggen ze altijd. Maar het moment waarop een klimmer ergens hoog boven de zeespiegel sterft begint het pas voor vrouw, kinderen en familie die achterblijven.
    Toch blijft de Nationale 7 een mythisch traject, een Franse Route 66, aan een tweede leven begonnen als nostalgische attractie. 'De mensen willen terugkeren naar een gelukkige tijd', zegt Patrick Henriroux (55), patron van tweesterrenrestaurant La Pyramide in Vienne.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "beghinnen" van Oudnederlands "biginnan" afgeleid van "ginnan" "aanvangen" , in de betekenis van ‘aanvangen’ aangetroffen vanaf 901

Uitdrukkingen

  • niet beginnen aan
  • van nul beginnen

Vertalingen

Engelsstart, begin, start
Franscommencer
Duitsanfangen, beginnen, beginnen
Spaanscomenzar, empezar, iniciar
Italiaanscominciare
Portugeescomeçar, iniciar
Japans始まる, はじまる
Poolszaczynać
Zweedsbörja
Deensbegynde