beenhouwer

mannelijk (de)/'benhɔuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (België) een verkoper van vlees
    Hij is naar de beenhouwer voor gehakt.
    Maurice Vandeputte: 'De stiel is kapot. Ik zit al 45 jaar in het vak. Mijn ouders waren vlassers, maar ik moest beenhouwer worden, dat vonden ze een beroep met toekomst. Ik ben van Zele. Toen ik begon, waren er 46 beenhouwers, nu zijn er nog vijf. De concurrentie van de supermarkten, hé mevrouw. Ach, ze maken het ons ook zo lastig, met al dat papierwerk dat we moeten invullen.' De Standaard 20/12/2008 door ilse degryse [https://www.standaard.be/cnt/1924640o 'We zijn geen gangsters']
  2. (belgië) een slachter
    De beenhouwer was de koe aan het slachten.

Etymologie

* (iemand die houwt)

Vertalingen

Engelsbutcher
Fransboucher
DuitsFleischer, Metzger
Spaanscarnicero
Italiaansmacellaio
Portugeesmagarefe, carniceiro
Zweedsslaktare