bedrust
mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɛtrʏst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de rust die je in bed genietHij genoot van de welverdiende bedrust.
- voorschrift van een arts waarbij de patiënt ook overdag in bed moest blijven liggenVroeger schreven artsen bij veel klachten bedrust voor, tegenwoordig moet je bijna altijd je bed uit van de dokter.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek