bedrog

onzijdig (het)/bə'drɔx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het met kwade opzet misleiden van iemand
    Deze veelgeroemde wetenschappelijke publicatie berust op bedrog.
    Het idee om na het tellen terug te keren naar zijn schrijfmachine was weliswaar rationeel, maar ook immoreel. Geen groot bedrog, maar toch bedrog.
    En haar besluit om Olive te helpen met haar bedrog - de schilderijen naar Malaga brengen, ervoor zorgen dat Sarah bleef denken dat ze van Isaacs hand waren, de zolder schoonhouden - had geleid tot deze niet zo nobele waarheid: dat ze geschilderd wilde worden.

Etymologie

* van bedriegen.

Vertalingen

Engelsfraud, swindle
DuitsBetrug, Täuschung
Spaansembuste, fullería, engaño