bedriegen
/bəˈdriɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iemand met kwade opzet in de waan brengen, misleidenDe handelaar bedroog zijn klanten.
- (ov) ontrouw zijn aanDe ontrouwe man bedroog zijn echtgenote.Hij heeft me bedrogen, Chantal! Die smeerlap heeft me bedrogen met zijn secretaresse.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "bedriegen" / "bedrieghen" van Oudnederlands "bidriegan", op te vatten als afgeleid van een niet langer bestaand werkwoord *driegen ; in de betekenis van ‘misleiden’ aangetroffen vanaf 901
Uitdrukkingen
- bedrogen uitkomen
Vertalingen
Engelsdeceive, cheat
Duitsbeschwindeln, hereinlegen
Spaansengañar, tangar, defraudar
Poolsoszukiwać
Deensbedrage
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek