bedriegen

/bəˈdriɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand met kwade opzet in de waan brengen, misleiden
    De handelaar bedroog zijn klanten.
  2. ov (ov) ontrouw zijn aan
    De ontrouwe man bedroog zijn echtgenote.
    Hij heeft me bedrogen, Chantal! Die smeerlap heeft me bedrogen met zijn secretaresse.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "bedriegen" / "bedrieghen" van Oudnederlands "bidriegan", op te vatten als afgeleid van een niet langer bestaand werkwoord *driegen ; in de betekenis van ‘misleiden’ aangetroffen vanaf 901

Uitdrukkingen

  • bedrogen uitkomen

Vertalingen

Engelsdeceive, cheat
Duitsbeschwindeln, hereinlegen
Spaansengañar, tangar, defraudar
Poolsoszukiwać
Deensbedrage