bediende

mannelijk/vrouwelijk (de)/bəˈdində/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand in een ondergeschikte betrekking
    Het woord knecht en bediende is vervangen door werknemer.
    'Otto is de bediende van mijn broer,' zegt Maren.
  2. beroep (beroep) huisknecht
    Huishoudelijke apparatuur heeft de functie van bediende grotendeels overgenomen.
    Ze was niet langer de bediende die het huis van vlekken ontdeed; ze zou een onuitwisbaar stempel drukken dat niemand nog zou vergeten.
    Ze was niet langer de bediende die het huis van vlekken ontdeed; ze zou een onuitwisbaar stempel drukken dat niemand nog zou vergeten.
  3. beroep (beroep) officiële benaming voor alle werknemers die geen arbeider zijn, beambte, ambtenaar of employé b.v. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
    De bediende was nergens te bekennen, dus moesten we lang wachten op ons drankje.

Etymologie

*: "bediend" met de uitgang -e

Vertalingen

Engelsboy, clerk, servant
Spaanscriado, empleado, sirviente
Poolssłuzacy