bed
onzijdig (het)/bɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meubel) een meubel gemaakt om in te slapenZe hield van haar werk bij Dolcis Shoes, en ze had mij aan mijn baan daar geholpen, maar ik verlangde na een uur op mijn werk alweer naar de koelte van mijn kamer, mijn goedkope schriften, mijn potlood dat naast het smalle bed op me lag te wachten.Maar één ding wilde Pietje beslist niet: slapen in een groot bed met witte lakens.Op het bed ligt een matras, een laken, een dekbed en een kussen.
- (tuinieren) afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt wordenWe liepen door de tuin langs een bed met aardbeien.
- (waterbeheer) bedding van een rivier/ onderlaag van een wegIn de zomer had de rivier zich teruggetrokken in het zomerbed.
- (medisch) plaats in een verpleeginrichtingDit instituut heeft een capaciteit van 100 bedden.
Etymologie
* van Middelnederlands "bedde" en Oudnederlands beddi;, verdere etymologie onzeker; mogelijk van *bhodh-, waarvan bijv. ook het Latijnse fodere zou komen.
Uitdrukkingen
- Een gespreid bedje — Zie bedje
- Ergens midden in bed liggen — ergens heel belangrijk / geliefd zijn
- In hetzelfde bed[je] ziek liggen/zijn — Aan dezelfde kwaal/tekortkoming lijden, dezelfde nadelen hebben
- Met bed en bult — Met alles wat men bijeen kan pakken op reis gaan
- Met het verkeerde ( of het linker-) been uit het bed stappen — Een slecht humeur hebben
- Met iemand naar bed gaan — Met iemand geslachtsgemeenschap hebben
- Naar bed gaan — Gaan slapen
- Zich [niet] uitkleden voor men naar bed gaat — (Niet) alles weggeven alvorens te sterven
Vertalingen
Engelsbed
Franslit
DuitsBett, Beet
Spaanscama, lecho, bancal
Italiaansletto
Portugeescama, leito
Russischкровать, постель
Chinees床
Arabischسرير
Turksyatak
Poolsłózko
Zweedsbädd, säng
Deensseng, bed
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek