bed

onzijdig (het)/bɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meubel (meubel) een meubel gemaakt om in te slapen
    Ze hield van haar werk bij Dolcis Shoes, en ze had mij aan mijn baan daar geholpen, maar ik verlangde na een uur op mijn werk alweer naar de koelte van mijn kamer, mijn goedkope schriften, mijn potlood dat naast het smalle bed op me lag te wachten.
    Maar één ding wilde Pietje beslist niet: slapen in een groot bed met witte lakens.
    Op het bed ligt een matras, een laken, een dekbed en een kussen.
  2. tuinieren (tuinieren) afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden
    We liepen door de tuin langs een bed met aardbeien.
  3. waterbeheer (waterbeheer) bedding van een rivier/ onderlaag van een weg
    In de zomer had de rivier zich teruggetrokken in het zomerbed.
  4. medisch (medisch) plaats in een verpleeginrichting
    Dit instituut heeft een capaciteit van 100 bedden.

Etymologie

* van Middelnederlands "bedde" en Oudnederlands beddi;, verdere etymologie onzeker; mogelijk van *bhodh-, waarvan bijv. ook het Latijnse fodere zou komen.

Uitdrukkingen

  • Een gespreid bedjeZie bedje
  • Ergens midden in bed liggenergens heel belangrijk / geliefd zijn
  • In hetzelfde bed[je] ziek liggen/zijnAan dezelfde kwaal/tekortkoming lijden, dezelfde nadelen hebben
  • Met bed en bultMet alles wat men bijeen kan pakken op reis gaan
  • Met het verkeerde ( of het linker-) been uit het bed stappenEen slecht humeur hebben
  • Met iemand naar bed gaanMet iemand geslachtsgemeenschap hebben
  • Naar bed gaanGaan slapen
  • Zich [niet] uitkleden voor men naar bed gaat(Niet) alles weggeven alvorens te sterven

Vertalingen

Engelsbed
Franslit
DuitsBett, Beet
Spaanscama, lecho, bancal
Italiaansletto
Portugeescama, leito
Russischкровать, постель
Chinees
Arabischسرير
Turksyatak
Poolsłózko
Zweedsbädd, säng
Deensseng, bed