bebossing

vrouwelijk (de)/bə'bɔsɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bedekt zijn met bos van een gebied
    De bebossing van dat gebied is een stuk verminderd door houtkap.
  2. het bedekken van een gebied met bos
    De bebossing van dat gebied is aardig op gang gekomen.

Etymologie

*Afgeleid van bos