beatnik
mannelijk (de)/ˈbiːtnɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lid of aanhanger van de beatgeneratie (beatgeneration)
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘protesterende schrijver’ voor het eerst aangetroffen in 1962
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek