bazin

vrouwelijk (de)/ba'zɪn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijke baas
    De kat zoekt een nieuw baasje of bazinnetje.
    Aan de bar dronk ik samen met de bazin van het café een biertje.
    Met zijn linkerhand hield Isaac de kip stil op de houten vloer. Ze maakte een gedempt tokgeluidje en zocht verwoed naar de koelte van de tas van haar bazin.

Etymologie

*Afgeleid van baas .

Vertalingen

Spaansdueña, patrona, ama