bataat

mannelijk (de)/baˈtat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald tropisch knolgewas,
  2. voeding (voeding) knol van , een soort grote zoete aardappel

Etymologie

* Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘zoete aardappel’ voor het eerst aangetroffen in 1565

Vertalingen

Engelssweet potato, yam
Spaansachín, batata, batata dulce