basis

vrouwelijk (de)/ˈbazɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grondslag
    Als de basis goed is kan iets best tot een goed einde komen.
    Het drama dat zich in Turkije had afgespeeld, was logischerwijze de basis van Jeroens ineenstorting.
  2. militair (militair) militaire nederzetting
    Een legeronderdeel is gehuisvest in een basis.
  3. bouwkunde (bouwkunde) datgene waarop een lichaam steunt of rust, grondvlak, fundament, fundering
    Hoewel de de basis van een gebouw niet of nauwelijks ziet is het wel van het grootste belang.
  4. wiskunde (wiskunde) grondvlak of grondlijn van een wiskundige figuur
    De oppervlakte van een driehoek is basis maal halve hoogte.
  5. wiskunde (wiskunde) grondgetal van een talstelsel
    10 is de basis van het tientalligstelsel.
  6. sport (sport) spelersgroep die aan een wedstrijd begint
    Hij zit in de basis van het eerste elftal.
  7. elektronica (elektronica) een van de drie aansluitingen van een transistor
  8. belangrijkste eerste begin van een proces

Etymologie

*via Latijn "basis" "grondslag" van βάσις "schrede, fundament", in de betekenis van ‘grondslag’ voor het eerst aangetroffen in 1618

Vertalingen

Engelsbasis, foundation
Spaansbase, fundamento