baroktijd

mannelijk (de)/baˈrɔktɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode van 1600 tot 1750
    Het bouwwerk uit de baroktijd groeide uit tot een van de symbolen van de stad en fungeerde als decors in veel films, waaronder La Dolce Vita (1960) van Federico Fellini.
    Er is nu al meer hedendaagse muziek voor blokfluit, dan bewaard is gebleven uit de baroktijd.