bankje

/ˈbɑŋkjə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleine zitbank of voetenbank
    Zijn handen trillen te erg en het meisje dat achter de kassa staat biedt aan om de koffie in een afgesloten beker te gieten.
    Ik zakte teleurgesteld neer op een houten bankje naast het raam en opende het gastenboek van het café dat als ‘trail-register’ fungeerde.

Etymologie

*afgeleid van "bank"

Vertalingen

Engelssmall bench, stool