bandjir

mannelijk (de)/ˈbɑndjir/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. heftige toename van het peil en de stroomsnelheid van rivieren bij zware regenval in stroomopwaarts gelegen bergen, vaak met overstroming en verwoestingen tot gevolg
    Nù was het water niet hoog en vormden zich in de bedding van de rivier over de als los dooreengeworpen granietblokken en rotsstenen slechts kleine watervallen en kolken, waarop de zon haar schitterende stralen in alle tinten en regenboogkleuren reflecteerde; maar als het water zwelt tot een bandjir (overstroming) moet de Anèh-kloof een oord der verschrikking zijn. Enkele jaren geleden werd, ten gevolge van zo'n bandjir, een groot gedeelte van de zo kunstig en moeitevol gebouwde spoorbaan weggeslagen en waren er duizenden nodig om de geleden schade te herstellen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) opeenvolging met overweldigend effect
    In de bandjir van informatie over de tweede fase die van alle kanten de school binnenstroomt, is het handig te letten op de brochures die de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) uit Enschede uitgeeft.
  3. figuurlijk (figuurlijk) (Suriname) overstroming van sap in een suikerfabriek door een storing

Etymologie

*van "banjir" of "banjir"