balg

mannelijk (de)/ˈbɑlᵊx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een (geplooid) stuk leer, ruwe huid of rubber
  2. opgevouwen zak van een accordeon, camera, blaasbalg enz

Etymologie

* In de betekenis van ‘afgestroopte huid, leren zak’ voor het eerst aangetroffen in 1288

Vertalingen

Engelsbellows
Spaansfuelle