bakra

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbakra/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. blanke Nederlander
    Die bakra’s gaan er een heel nummertje van maken jongen, want eh, als iedereen naar Suriname kijkt, kijkt er niemand meer naar die Rutte en vergeten ze al die plannen om te bezuinigen.
    In Suriname waren Nederlanders ver, ver verheven boven de Surinamers. In mijn gedachten waren alle Nederlanders rijk en woonden ze allemaal in grote huizen. Ik kon mijn ogen niet geloven toen die bakra mijn koffer oppakte om hem voor mij te dragen.

Etymologie

* van "bakra" , voor het eerst als Bakkerare voor "Hollanders" opgetekend door Herlein in 1718J.D. Herlein, 1718. Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname: vertonende de opkomst dier zelver colonie, de aanbouw en bewerkinge der zuiker-plantagien. Neffens den aard der eigene natuurlijke inwoonders of indianen; als ook de slaafsche Afrikaansche Mooren; deze beide natien haar levens- manieren, afgoden-dienst, regering, zeden, gewoonten en dagelijksche bezigheden. Meindert Injema, Leeuwarden: p. 117. Online: [https://archive.org/details/beschryvingevand01herl/page/117/mode/2up?q=Bak www.archive.org].