baden

/ˈbadə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een bad nemen
    Hij baadt in de Dode Zee ter behandeling van zijn huidaandoening.
    Ik hoopte stiekem een beer te kunnen zien baden in de rivier, maar was ook wel tevreden met alle herten, eekhoorns, marmotten, vogels en de Amerikaanse adelaar.
  2. op een aangename manier omgeven zijn door iets
    Zij baadden in weelde.
  3. ov (ov) in bad doen
    Hij baadde de kinderen iedere avond voor het slapen gaan.

Vertalingen

Engelsbathe, have a bath, bathe
Duitsbaden, baden
Spaansbañarse, bañar