azijn

mannelijk (de)/aˈzɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde (scheikunde) verkregen door oxidatie van verdunde alcohol (CH3-COOH)
  2. voeding (voeding) gebruikt om voedsel smaak te geven of te conserveren
    Olie en azijn worden gebruikt om een salade op smaak te brengen.
    Met lappen die van een overhemd waren gescheurd en die ze onderdompelde in een schaal azijn vermengd met citroensap boende ze de ramen waar het vuil zich had opgehoopt rond de sponningen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vloeistof uit azijnzuur en water’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelsvinegar
Fransvinaigre
DuitsEssig
Spaansvinagre
Italiaansaceto
Portugeesvinagre
Russischуксус
Chinees
Japans
Koreaans식초
Arabischخل
Turkssirke, asetik asit
Poolsocet
Zweedsvinäger, ättika
Deenseddike