avocado

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑvoˈkado/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit, voeding (fruit) (voeding) een tropische vrucht van de avocadoboom
    Hij knijpt erin, voorzichtig, zoals je in een avocado knijpt om te voelen of die rijp is.
    {{ouds
    Van avocado en knoflook wordt guacamole gemaakt.

Etymologie

*In Nederland werd de vrucht pas in de jaren 60 (eerder dan 1968 ) in bredere kring bekend, mede dankzij de aanvoer uit Israël, zie vindplaats hieronder.

Vertalingen

Engelsavocado, alligator pear
Fransavocat
DuitsAvocado, Avokato
Spaansaguacate, palta, cura
Italiaansavocado
Portugeesabacate
Russischавокадо, авокадо
Chinees鱷梨, 鳄梨
Japansアボカド
Koreaans아보카도
Turksavokado
Poolsawokado
Zweedsavokado