avatar

mannelijk (de)/'ɛvətɑːr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) de incarnatie van een godheid, met name in het hindoeïsme
    Varaha en Narasimha zijn avatars van Visjnoe.
  2. informatica (informatica) visuele representatie van een persoon of dier in computerpresentaties en virtual reality in het begin alleen bestaande uit een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
    Ik gebruik een brullende leeuwenkop als avatar.

Etymologie

*Leenwoord uit het Engels; op zijn beurt via Hindi/Urdu अवतार/اوتار (avatār) van अवतार avatāra

Vertalingen

Engelsavatar
Fransavatar
DuitsAvatar
Spaansavatar
Portugeesavatar
Russischаватар