avance

mannelijk/vrouwelijk (de)/aˈvɑ̃sə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. poging tot toenadering
    Al een paar keer is mij discreet gevraagd: “Zou je er niet voor voelen lid van de ....te worden?” Ik hoor me, schijnt, gevleid te voelen door zo'n avance.
  2. voorschot
  3. verouderd (verouderd) voordeel, winst

Etymologie

* van "avance", in de betekenis van ‘toenaderingspoging’ voor het eerst aangetroffen in 1784