autoriteit

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de overheid, het bevoegd gezag
    Van de autoriteiten mag er niet meer in de cafés gerookt worden.
    Al snel duiken gezondheidsklachten op. Niet bij Van Nijen, die er nuchter in staat. 'Als het echt erg was, had de GGD wel gewaarschuwd.' Andere bewoners maken zich grote zorgen. 'Een gifwijk!', roepen ze. 'Wij gaan dood hier.' De autoriteiten proberen de onrust te temperen. Volgens de GGD blijft de uitstoot van schadelijke stoffen binnen de normen. de Volkskrant Mac van Dinther9 januari 2017 [https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/olstenaren-zijn-klaar-met-tien-jaar-durende-bodemsanering~b8b75f43/ Olstenaren zijn klaar met tien jaar durende bodemsanering]
    Hopelijk komt het ooit zover dat de autoriteiten ingrijpen, waarna deze waanzin een halt wordt toegeroepen.
  2. een persoon met veel kennis op een bepaald gebied
    Hij is een autoriteit op het gebied van wiskunde.
  3. macht en gezag
    Hij had zichzelf al snel weer in de hand, straalde macht en autoriteit uit, en was, in tegenstelling tot mij, totaal niet onder de indruk van hun uniform.

Etymologie

*afgeleid van het Franse autorité () [https://fr.wiktionary.org/wiki/autorité Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsauthority
Spaansautoridad
Italiaansautorità
Poolsautorytet