automonteur
mannelijk (de)/ˈɑutomɔnˌtør/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) vakman die de werking van motorvoertuigen met een carrosserie herstelt of verbetertMijn buurman is automonteur.Het had bijna te moeilijk geleken in het begin, toen Clark er pessimistisch op was ingesteld dat hij naar de ambachtsschool zou gaan om blikslager, automonteur of iets dergelijks te worden.Een Belg die Slimane heette en automonteur was, had hem als slaapplek zijn garage aangeboden, een paar bushaltes van het station vandaan.
Etymologie
* , in de betekenis van ‘vakman die auto's onderhoudt en herstelt’ voor het eerst aangetroffen in 1947
Vertalingen
Engelscar mechanic
Fransmécanicien
DuitsAutomechaniker
Spaansmecánico de automóviles
Italiaansmeccanico
Portugeesmecânico
Zweedsbilmekaniker
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek