automaat

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
    De belichtingsautomaat regelde het diafragma en en de belichtingstijd van de fotocamera.
  2. techniek, verkeer (techniek), (verkeer) auto met automatische versnellingsbak
    In Amerika rijden bijna alleen maar automaten rond.
  3. techniek (techniek) apparaat dat iets verstrekt na betaling
    Laten we even een kroketje trekken uit de automaat.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘machine die zelfstandig handelingen verricht’ voor het eerst aangetroffen in 1552

Vertalingen

Spaansautómata
Italiaansautoma
Poolsautomat