automaat
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verrichtDe belichtingsautomaat regelde het diafragma en en de belichtingstijd van de fotocamera.
- (techniek), (verkeer) auto met automatische versnellingsbakIn Amerika rijden bijna alleen maar automaten rond.
- (techniek) apparaat dat iets verstrekt na betalingLaten we even een kroketje trekken uit de automaat.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘machine die zelfstandig handelingen verricht’ voor het eerst aangetroffen in 1552
Vertalingen
Spaansautómata
Italiaansautoma
Poolsautomat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek