augurk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑuˈɣʏrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten, voeding (bloemplanten) (voeding) een vrucht van de plant uit de komkommerfamilie die wordt ingelegd in azijn of pekel om te fermenteren. De vers gegeten komkommer en de augurk zijn verschillende cultuurvormen van dezelfde soort met verschillende eigenschappen. De vruchten die gebruikt worden voor het maken van de augurk zijn kleiner en hebben over het algemeen een dunnere schil dan de vers gegeten komkommer. De augurk mag geen smaak van zichzelf hebben; de komkommersmaak moet geheel ontbreken
    De augurk behoort plantkundig gezien tot dezelfde soort als de komkommer.
    De zwangere vrouw at de hele dag augurken.
    Al dagen fantaseerde ik wat ik zou gaan bestellen: een dubbele hamburger met kaas, augurken en ketchup en hopelijk hadden ze ook mayo voor bij de friet. Het water liep me spontaan in de mond als ik dacht aan een vanille milkshake en cola met ijs.

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘kleine komkommer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1651

Vertalingen

Engelsgherkin
Franscornichon
DuitsGurke
Spaanspepinillo
Italiaanscetriolo
Turksacur
Poolskorniszon
Zweedsättiksgurka