audicien

mannelijk (de)/ˌɑudiˈʃɛ̃/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) winkelier die is opgeleid om hoortoestellen aan te meten en te verkopen

Etymologie

*gevormd uit audioloog of auditeur naar het voorbeeld van woorden als opticien en mecanicien, in de betekenis van ‘specialist voor audiologische apparatuur’ aangetroffen vanaf 1984