aubergine

vrouwelijk (de)/obɛrˈʒinə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) , plant uit de nachtschadefamilie
  2. groente (groente) purperachtige, vlezige vrucht van deze plant
    Koop voor mij even twee aubergines in de winkel.
    Ik heb veel te veel gegeten. Van dat wandelen krijg je honger. Hele aubergines zijn erin gegaan, in plakjes weliswaar, maar toch. Ik bekijk mezelf in de spiegel: ik lijk wel vier maanden zwanger.

Etymologie

*van "aubergine"

Uitdrukkingen

  • gevulde aubergines

Vertalingen

Engelsaubergine, eggplant, aubergine
Fransaubergine
DuitsAubergine, Eierpflanze, Aubergine
Spaansberenjena
Italiaansmelanzana, melanzana, melanzana
Portugeesberingela
Russischбаклажан
Turkspatlıcan
Poolsbakłażan, oberżyna
Zweedsäggplanta, äggplanta, auberginefärgad
Deensaubergine