aspirine

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑspi'rinə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch, farmacologie (medisch), (farmacologie) een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
    We gebruiken tegenwoordig vaker paracetamol in plaats van aspirine bij pijn en koorts.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘acetylsalicylzuur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1910

Vertalingen

Engelsaspirin
Fransaspirine
DuitsAspirin
Spaansaspirina
Italiaansaspirina
Turksaspirin
Poolsaspiryna