arteriosclerose

vrouwelijk (de)/ɑrˌteriˌjoskleˈrozə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) een degeneratie van het weefsel van de wand van slagaders, aderverkalking

Etymologie

* In de betekenis van ‘aderverkalking’ voor het eerst aangetroffen in 1910

Vertalingen

Engelsarteriosclerosis
Spaansarteriosclerosis
Poolsarterioskleroza, miazdzyca naczyn