arrivé

mannelijk (de)/ɑriˈve/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die erin geslaagd is een aanzienlijke positie in de maatschappij te bereiken
    Het was één van de begeleidende trainers die verwonderd vaststelde dat Nederlandse atleten die de deelnemerskaart van een WK krijgen omgehangen een gedaanteverwisseling ondergaan en zich plotseling als arrivé beschouwen. Het gevoel van 'erbij horen' is kennelijk sterker dan het gevoel dat het pas met een deelnemerskaart begint.

Etymologie

*van "arrivé" "aangekomen"