armlengte

vrouwelijk (de)/ˈɑrᵊmlɛŋtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. afstand ter grootte van een gestrekte arm
    Cohen merkt in een krantenartikel op dat soldaten met hun moentji in de barakken sliepen in kooien die niet meer dan een armlengte van de volgende man verwijderd waren en zonder enige afscheiding die ook maar de schijn wekte van privacy.

Uitdrukkingen

  • op armlengteonder handbereik, goed bereikbaar