argwaan

mannelijk (de)/'ɑrxwan/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gekoesterd gevoel van verdenking, wantrouwen
    Na die opmerking kreeg hij argwaan.
    Alsof hij zich verantwoordelijk voelde voor de hele schepping, verontschuldigde hij zich voor de argwaan in de moderne wereld, die hem ertoe verplichtte bepaalde formaliteiten in acht te nemen, maar hij verzekerde mij dat we daar later nog een geschikt moment voor konden vinden, wanneer ik zou zijn uitgerust van mijn verplaatsing.
    Mocht een gast toevallig een glimp van zijn uniform opvangen, dan zou dit eerder een gevoel van veiligheid dan argwaan opwekken.

Etymologie

* uit het Middelnederlands

Vertalingen

Engelssuspicion
Franssuspicion
DuitsArgwohn
Spaanssospecha, recelo
Zweedsmisstanke