argus

mannelijk (de)/ˈɑrɣʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon met scherpe blik waaraan niets ontgaat
    “Een vrij volk is een argus,” schreef de Nederlandse revolutionair Anacharsis Cloots in de dagen van de Franse Revolutie. “Het ziet alles, hoort alles, is overal en slaapt nooit.”[https://deleesclubvanalles.nl/recensie/het-huis-van-argus-2/ Huub Dijstelbloem; De leesclub van alles]
  2. dierkunde (dierkunde) afhankelijk van de context gebruikt als benaming voor een dier dat met op ogen lijkende vlekken is bedekt
  3. hoendervogels (hoendervogels) argusfazant
  4. buikpotigen (buikpotigen) argushoorn, benaming voor slakken uit het geslacht
  5. vlinders (vlinders) arguskapel of argusvlinder
  6. nachtzwaluwachtigen (nachtzwaluwachtigen) argusnachtzwaluw
  7. straalvinnigen (straalvinnigen) argusvis
  8. wormen (wormen) argusworm

Etymologie

#(verkorting) van argusfazant, argushoorn, arguskapel, argusnachtzwaluw, argusvis, argusvlinder, argusworm of een wetenschappelijke naam met "argus", dieren die bedekt zijn met een patroon van vlekken die op ogen lijken en daarom naar de mythologische figuur "Argus" zijn genoemd