arbeidsongeschiktheid

vrouwelijk (de)/ɑrbɛɪtsɔnɣə'sxɪkthɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het ongeschikt zijn om te werken (binnen het 'normale' bedrijfsleven)
    Slechts een op de vijf zzp'ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid [http://www.nu.nl/zzp/4210085/vijf-zzpers-verzekerd-arbeidsongeschiktheid.html www.nu.nl]

Etymologie

*afgeleid van arbeidsongeschikt