apsis
vrouwelijk (de)/ˈɑpsɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- halfronde uitbouw die het koor van een kerk afsluitIk kon het woord "apsis" echt niet terugvinden in het woordenboek, mevrouw.
Etymologie
*via Latijn """ van "ἁψίς" (hapsís) "boog, gewelf", in de betekenis van ‘halfronde uitbouw in kerken’ aangetroffen vanaf 1858
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek