apotheose

vrouwelijk (de)/ˌapoteˈjozə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. slotstuk van een opvoering vertoond met veel pracht en praal
  2. verheffing van een sterveling tot het niveau van een god, vergoddelijking

Etymologie

*afgeleid van 'theos' (god)

Vertalingen

Engelsapotheosis
Fransapothéose
DuitsApotheose
Spaansapoteosis
Poolsapoteoza